Wetenschap door de ogen van kinderen

Door Dietsje Jolles, Kiki Zanolie, Anne Landvreugd en Rachel Plak, Expeditie Binnenwereld, Universiteit Leiden

Kinderen zijn van nature nieuwsgierig. Ze willen weten waarom de lucht blauw is, waarom mensen dromen of hoe een mummie eigenlijk werd gemaakt. Tijdens een wetenschapsfestival heb je vaak maar korte tijd om die nieuwsgierigheid te vangen en om te zetten in een betekenisvolle ervaring. Hoe zorg je ervoor dat een wetenschapsactiviteit kinderen echt raakt? In deze handreiking duiken we in de ontwikkeling van kinderen: hoe leren ze, wat prikkelt hun aandacht en welke sociaal-emotionele processen spelen een rol in hun belevingswereld? Met deze inzichten kunnen we wetenschapsactiviteiten zo vormgeven dat kinderen zich aangesproken voelen en hun interesse in wetenschap groeit.

Bij het ontwerpen van een wetenschapsactiviteit voor kinderen richten we ons vaak eerst op de inhoud. Er wordt bijvoorbeeld een leuk proefje bedacht, een bijzonder object laten zien of een verrassend experiment gedaan. Dat is natuurlijk leuk en heel begrijpelijk. Toch hangt de impact van een activiteit af van meer dan alleen de inhoud. De manier waarop een activiteit wordt vormgegeven bepaalt in grote mate of nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, of kinderen hun aandacht erbij kunnen houden en of ze daadwerkelijk iets opsteken.

Kinderen komen niet alleen naar een wetenschapsfestival om iets te leren. Ze komen ook om te ontdekken, vragen te stellen, zich te verwonderen en soms gewoon om te kijken wat er allemaal gebeurt. Zo zijn veel kinderen voortdurend bezig met hoe het is om daar te zijn. Durf ik mee te doen? Doe ik het wel goed? Hoor ik hier thuis? Zou ik later ook zoiets kunnen worden als deze onderzoeker? Het is belangrijk om te beseffen dat niet alle kinderen een wetenschapsactiviteit op dezelfde manier ervaren. Verschillen in taalvaardigheid, zelfvertrouwen, concentratie, prikkelgevoeligheid en sociale veiligheid spelen allemaal een rol in hoe een kind deelneemt. Wat voor het ene kind vanzelfsprekend voelt, kan voor een ander spannend, overweldigend of juist onduidelijk zijn. Een goede activiteit biedt daarom meerdere manieren om mee te doen: kijken, luisteren, doen en nadenken.

Voor sommige kinderen is een wetenschapsfestival misschien zelfs de eerste keer dat wetenschap dichtbij en bereikbaar voelt. Standhouders en onderzoekers vormen voor veel kinderen letterlijk het gezicht van de wetenschap. De manier waarop we met kinderen omgaan tijdens zo’n dag kan daarom een blijvende indruk achterlaten. Of het nou gaat over bètawetenschappen, taal, geschiedenis, psychologie of gezondheidswetenschappen, voor alle wetenschappelijke disciplines geldt dat naast vorm en inhoud juist de sociaal-emotionele aspecten van belang zijn.

In deze handreiking combineren we inzichten uit de ontwikkelingspsychologie met praktische ervaringen uit de wetenschapscommunicatie. In deel 1 staan we stil bij keuzes die je kunt maken bij het ontwerpen van een activiteit, daarna zoomen we in deel 2 in op de interactie met kinderen tijdens de activiteit zelf. Onderaan vind je een korte checklist die je kunt gebruiken ter voorbereiding.

Vooraf: je activiteit ontwerpen

Stap 1: Ken je doelgroep

We beginnen met wat misschien wel een open deur lijkt: kinderen zijn géén volwassenen in het klein. Lange tijd hebben we kinderen echter wél zo benaderd: als ‘onafgemaakte’ volwassenen die vooral nog iets moesten leren. De focus lag daardoor vooral op wat kinderen nog niet konden in vergelijking met volwassen. Maar daarmee onderschatten we eigenlijk hoe rijk, creatief en uniek de belevingswereld van kinderen is. Inmiddels weten we dat kinderen de wereld op hun eigen manier verkennen en begrijpen. Hun voorkennis, cognitieve ontwikkeling en eerder sociale ervaringen bepalen welke vragen ze stellen, wat hun aandacht trekt, wat ze spannend vinden en waar ze nieuwsgierig naar worden. Nieuwsgierigheid ontstaat wanneer kinderen een kenniskloof ervaren; ze merken dat ze iets nog niet weten en willen dat gat graag opvullen. En dat geldt ook voor hoe zij wetenschap ervaren. Wat kinderen interessant, spannend of begrijpelijk vinden, hangt sterk samen met hun voorkennis, hun cognitieve capaciteiten en de manier waarop ze tegen de wereld aankijken.

1a. Voorkennis

Waar niet te licht over gedacht moet worden is dat kinderen beschikken over minder voorkennis dan volwassenen. Daardoor interpreteren ze nieuwe informatie soms op een heel andere manier dan je verwacht. Een mooi voorbeeld hiervan komt uit het kinderboek Fish is Fish van Leo Lionni (1970). In het verhaal vraagt een vis aan een kikker hoe het leven buiten het water eruitziet. De kikker vertelt enthousiast over de bijzondere wezens die hij is tegengekomen, zoals mensen die op twee benen lopen en kleren dragen, en koeien: grote, wit-met-zwarte dieren op vier poten met een uier onder hun buik. De vis probeert zich deze dieren voor te stellen, maar doet dat vanuit zijn eigen referentiekader. In zijn verbeelding krijgen mensen en koeien daarom een vissenlijf met schubben, vinnen, een vissenstaart en een visachtige kop. Dit voorbeeld laat zien dat nieuwe informatie altijd wordt geïnterpreteerd vanuit wat iemand al weet. Kinderen bouwen hun begrip van de wereld stap voor stap op. Wanneer zij iets horen dat buiten hun eigen ervaring ligt, vullen ze de ontbrekende puzzelstukjes zelf in.

Dat gebeurt ook wanneer je met kinderen praat over wetenschap. Woorden en concepten die voor onderzoekers vanzelfsprekend zijn, kunnen voor kinderen iets heel anders betekenen. Begrippen als ‘energie’, ‘kracht’, ‘evolutie’, ‘bacteriën’ of zelfs ‘wetenschap’ roepen niet automatisch hetzelfde beeld op als bij volwassenen. Daarom is het belangrijk om niet alleen informatie te geven, maar ook samen te ontdekken welke ideeën kinderen zelf al hebben. Door aan te sluiten bij hun voorkennis en belevingswereld help je hen om nieuwe kennis op een begrijpelijke en betekenisvolle manier op te bouwen.

1b. De belevingswereld van kinderen

Voordat we nadenken over hoe we kinderen kunnen inspireren met wetenschap, helpt het om eerst stil te staan bij hoe zij de wereld ervaren. Denk eens terug aan jezelf als kind: wanneer voelde jij je slim, nieuwsgierig of trots? En wanneer juist onzeker of bang om iets verkeerd te zeggen? Veel kinderen nemen die gevoelens ook mee naar een wetenschapsactiviteit. Zeker tussen 8–14 jaar worden kinderen vaak gevoeliger voor hoe anderen naar hen kijken. Een enthousiaste reactie op hun vragen of een kleine opmerking, kan daardoor meer impact hebben dan je misschien denkt.

Tegelijkertijd verandert er in deze leeftijdsperiode ontzettend veel. Een kind van 6 beleeft een activiteit echt anders dan een kind van 13. Bij jongere kinderen spelen fantasie en spel vaak nog een grote rol. Ze zijn trots als ze iets zelfstandig kunnen en volwassenen zijn nog een belangrijke, veilige basis. Vanaf ongeveer 8 tot 10 jaar gaan kinderen zich  meer vergelijken met anderen. Ze worden gevoeliger voor schaamte en zijn zich bewuster voor hoe anderen naar hen kijken. Vanaf 11 tot 12 jaar krijgen kinderen steeds meer behoefte aan autonomie. Ze willen serieus genomen worden en haken sneller af als iets te kinderachtig voelt.

Als je wilt aansluiten bij kinderen helpt het om iets van deze ontwikkeling én van hun leefwereld te kennen. Niet omdat je hun taal of interesses hoeft over te nemen, maar omdat je beter begrijpt vanuit welke ervaringen en verwachtingen zij naar jouw activiteit kijken. Dat maakt het makkelijker om een gesprek aan te gaan waarin kinderen zich gezien voelen en nieuwsgierig durven te zijn.

Stap 2. Bepaal je doel

Wat wil je eigenlijk bereiken met je activiteit? Dat lijkt misschien een overbodige vraag, maar in de praktijk bedenken we vaak een leuke demonstratie, een interessant experiment of een bijzondere opdracht en denken we daarna pas na over het effect dat we willen hebben. Toch werkt het beter om vanuit het doel te vertrekken. Het doel bepaalt namelijk welk middel het meest geschikt is.

Mogelijke doelen van een wetenschapsactiviteit zijn bijvoorbeeld:

  • Een positieve beleving creëren
  • Nieuwsgierigheid prikkelen
  • Kennis en vaardigheden ontwikkelen
  • Bewustwording rondom een bepaald onderwerp vergroten
  • Inzicht verdiepen
  • Attitude- en oordeelsvorming ondersteunen

Het vergroten van science capital

Een goede wetenschapsactiviteit geeft kinderen vaak niet alleen nieuwe kennis en vaardigheden. Minstens zo belangrijk is het gevoel dat ze eraan overhouden:

  • Ik mag hier zijn.
  • Ik mag meedoen.
  • Ik word serieus genomen.
  • Wetenschap is óók iets voor mij.

Dat idee wordt vaak beschreven met de term science capital: de mate waarin iemand het gevoel heeft dat wetenschap dichtbij staat en dat hij of zij daar een plek in heeft. Zulke ervaringen kunnen invloed hebben op hoe kinderen zich later tot wetenschap verhouden.

Een bekend voorbeeld komt uit het onderzoek Draw a Scientist. Kinderen kregen de opdracht om een wetenschapper te tekenen. Jarenlang leverde dat vaak hetzelfde beeld op: een oudere man met een bril, een labjas en wild haar, een soort Einstein-figuur. Pas de laatste jaren verschijnen er langzaam meer diverse beelden. Dat hangt waarschijnlijk samen met het feit dat kinderen tegenwoordig een grotere diversiteit aan wetenschappers zien in de media, op school en tijdens activiteiten zoals wetenschapsfestivals.

Dat is belangrijk om in gedachten te houden tijdens wetenschapsfestivals. Voor sommige kinderen is dit één van de eerste keren dat zij een onderzoeker ontmoeten. Alleen al jouw aanwezigheid kan helpen om stereotypen te doorbreken en te laten zien dat wetenschap niet hoort bij één type mensZulke momenten lijken misschien klein, maar ze kunnen een blijvende indruk achterlaten. Juist door positieve ervaringen bouwen kinderen aan hun science capital, namelijk het gevoel dat wetenschap iets is waar zij ook bij horen. Kinderen onthouden misschien niet alle feiten die je vertelt, maar ze onthouden vaak wel hoe ze zich voelden. Of ze nieuwsgierig mochten zijn. Of ze serieus werden genomen. Of ze het gevoel kregen dat ze welkom waren.

Stap 3. Bepaal de rol van het kind

Je doel bepaalt hoe je de rol van het kind ziet: benader je het kind als onderzoeker of als leerling?

Kinderen houden er van nature van om zelf op onderzoek uit te gaan: ze verkennen hun omgeving, stellen vragen, experimenteren en trekken conclusies. Benader je een kind als onderzoeker, dan geef je het vooral ruimte om zelf te ontdekken. Dit kan heel goed werken als het doel is om kinderen op een positieve manier te laten kennismaken met wetenschap en nieuwsgierigheid te prikkelen. Kinderen zelf laten onderzoeken betekent echter niet dat volwassenen zich volledig op de achtergrond moeten houden. Juist door vragen te stellen, hints te geven of de aandacht op relevante aspecten te richten, kun je kinderen helpen om tot nieuwe inzichten te komen.

Tegelijk zijn kinderen sociale wezens die heel efficient kunnen leren door wat anderen hen vertellen of voordoen.  Juist doordat mensen zo goed zijn in leren van en met elkaar, hebben we een rijke cultuur en een enorme hoeveelheid gedeelde kennis kunnen opbouwen. Wanneer het hoofddoel van de activiteit is om kennis over te dragen, is het daarom soms efficiënter om kinderen wat meer expliciete uitleg te geven in plaats van ze zelf alles te laten uitzoeken.

Stap 4. Bedenk een prikkelende activiteit

Als je hebt stilgestaan bij de rol van het kind,is het belangrijk om na te denken over het vangen en richten van aandacht, en het vergroten van betrokkenheid.

4a. Aandacht vangen en richten

Zonder aandacht geen leren. Kinderen nemen nieuwe informatie alleen op wanneer hun aandacht voldoende gericht is op wat belangrijk is. Op een wetenschapsfestival concurreer je met veel andere wetenschappers om de aandacht van de kinderen, want er gebeurt overal wel iets interessants. De uitdaging is om de aandacht van de kinderen te vangen en vast te houden voor de kern van jouw activiteit. Uit onderzoek blijkt dat aandacht automatisch wordt getrokken door prikkels die opvallen of afwijken van de omgeving, bijvoorbeeld doordat ze bewegen, nieuw of onverwacht zijn, sociale signalen bevatten, persoonlijk relevant zijn of bepaalde emoties oproepen. Door hier bewust gebruik van te maken, vergroot je de kans dat kinderen hun aandacht richten op de boodschap die je wilt overbrengen.

Tegelijkertijd kunnen teveel prikkels, uitleg of extra elementen afleiden van wat je eigenlijk wilt overbrengen. Vraag jezelf daarom af: waar wil ik dat kinderen naar kijken, over nadenken of onthouden? Zorg voor een duidelijke focus, een logische opbouw en beperk afleidende elementen die niet bijdragen aan je doel.

Daarbij is de fysieke en sociale context van de activiteit van groot belang. Drukke omgevingen, veel geluid of visuele afleiding kunnen ervoor zorgen dat kinderen moeite hebben om hun aandacht vast te houden. Denk daarom bewust na over hoe je jouw activiteit “leesbaar” maakt in een festivalsetting: wat valt op, wat leidt af, en hoe help je kinderen om hun aandacht vast te houden in een omgeving vol prikkels? Houd er rekening mee dat kinderen hun aandacht nog minder goed kunnen reguleren dan volwassenen. In een drukke omgeving helpt het om hun aandacht actief te sturen met vragen, aanwijzingen of concrete opdrachten.

4b. Betrokkenheid vergroten

Heb je eenmaal de aandacht te pakken, dan is de volgende vraag hoe je die omzet in echte betrokkenheid. Kinderen leren het meest wanneer ze gemotiveerd zijn. Die motivatie kan van buitenaf komen, bijvoorbeeld door die stempelkaart die aan het einde van de dag vol moet zijn of vanuit kinderen zelf: ze doen mee omdat ze iets interessant, verrassend of leuk vinden. Dit onderscheid is belangrijk, omdat intrinsiek gemotiveerde bezoekers vaak actiever meedoen, langer blijven hangen en dieper op een onderwerp ingaan. Tegelijkertijd is het goed om je te bedenken dat dit onderscheid niet zo zwart-wit is als het lijkt. Bezoekers kunnen beginnen met een extrinsieke reden, zoals “even kijken of ik hier makkelijk een stempel kan halen”, en gaandeweg steeds meer interesse ontwikkelen, waardoor ze uit zichzelf verder willen ontdekken en leren.

Onderzoek laat zien dat motivatie groeit wanneer kinderen:

  • zich competent voelen (“Ik kan dit”);
  • autonomie ervaren (“Ik mag zelf dingen doen of beslissen”);
  • zich verbonden voelen met anderen (“Ik hoor erbij”).

Je kunt het gevoel van competentie stimuleren door het niveau van de activiteiten en de gegeven feedback goed te laten aansluiten bij de kennis en vaardigheden van de kinderen. Het gevoel van autonomie wordt versterkt door kinderen dingen zelf te laten doen of door ze simpelweg keuzes te geven. En het gevoel van verbondenheid kan worden versterkt door momenten te creëren om met elkaar samen te werken, met elkaar in gesprek te gaan en door oprecht interesse te tonen in hun ideeën en vragen.

Nieuwsgierigheid en verrassing

Nieuwsgierigheid en verrassing spelen ook een belangrijke rol in het vergroten van de betrokkenheid. Nieuwsgierigheid ontstaat wanneer kinderen ontdekken dat er een gat zit tussen wat ze al weten en wat ze nog willen weten. Een eenvoudige manier om nieuwsgierigheid op te wekken is door vragen te stellen. Daardoor wordt het voor kinderen duidelijk welke gaten er nog in hun kennis zitten en worden ze gemotiveerd om die op te vullen.

Betrokkenheid wordt ook versterkt wanneer kinderen ontdekken dat iets net een beetje afwijkt van wat ze verwachtten. Zo’n moment van verrassing trekt direct de aandacht en zorgt ervoor dat de nieuwe informatie beter wordt onthouden. Een manier om verrassing op te wekken is door kinderen voorspellingen te laten maken. Laat kinderen eerst raden wat er gaat gebeuren en bespreek daarna samen de uitkomst. Juist wanneer die uitkomst anders blijkt dan verwacht, ontstaat een waardevol leermoment.

Nieuwsgierigheid en verrassing zijn belangrijk voor leren omdat ze het brein prikkelen om aan het werk te gaan. Het zorgt ervoor dat kinderen beter opletten, actiever nadenken en proberen nieuwe informatie te begrijpen en te koppelen aan wat ze al weten. Vaak geldt dat hoe actiever het brein met de informatie aan de slag gaat, hoe meer kinderen er uiteindelijk van opsteken.

Op de dag zelf: deelnemers boeien en betrekken

Stap 5: Observeer en luister

Niet ieder geïnteresseerd kind ziet eruit als een geïnteresseerd kind. Wanneer we denken aan betrokken kinderen, denken we vaak aan kinderen die veel praten, vragen stellen en direct meedoen. Maar betrokkenheid kan er heel verschillend uitzien. Sommige kinderen stappen meteen op een stand af en beginnen enthousiast te praten. Andere kinderen observeren eerst, hebben wat verwerkingstijd nodig of vinden het spannend om onbekende volwassenen aan te spreken.

Sommige kinderen praten weinig, maar nemen ondertussen alles in zich op. Anderen raken sneller overprikkeld of hebben meer tijd nodig voordat ze actief deelnemen. Een stil kind is daarom niet automatisch een ongeïnteresseerd kind.

Veel activiteiten zijn onbewust afgestemd op snelle, extraverte kinderen. Juist tijdens wetenschapsfestivals is het belangrijk om oog te hebben voor de verschillende manieren waarop kinderen betrokken kunnen zijn. In korte interacties maken we namelijk snel aannames. Door goed te observeren en te luisteren, ontdek je vaak dat ook de stille toeschouwer nieuwsgierig, aandachtig en volop aan het leren is.

De rol van ouders

Bij wetenschapsfestivals zijn ouders of verzorgers  vaak aanwezig en vormen daarmee een belangrijk, maar soms impliciet publiek. Ze beïnvloeden aan welke activiteit kinderen wel of niet meedoen, hoe kinderen activiteiten ervaren en hoe zij hun eigen plek in de wetenschap interpreteren.

Ouders verschillen in voorkennis en hoe actief ze meedoen. Sommige ouders stellen veel vragen en doen enthousiast mee, terwijl anderen meer op de achtergrond blijven of juist veel sturen in het gedrag van hun kind (‘snap je het wel?’, ‘dit is moeilijk he?’).

Wanneer ouders zich op hun gemak voelen en zelf ook nieuwsgierig kunnen zijn, ontstaat er ruimte om samen te ontdekken. Daarom is het belangrijk om activiteiten ook voor hen toegankelijk te maken, door korte uitleg, heldere taal en herkenbare voorbeelden.

Zo worden ouders geen toeschouwers, maar versterken zij de ervaring van hun kind en dragen zij bij aan positieve, gezamenlijke kennismaking met wetenschap.

Stap 6: Ga in gesprek

De manier waarop je met kinderen praat, heeft veel invloed op wat zij uit een activiteit halen. Veel volwassenen schieten automatisch in de rol van uitlegger. Maar nieuwsgierigheid groeit vaak juist door interactie.

Minder effectieve strategieën zijn bijvoorbeeld kinderen overhoren, direct corrigeren,  gesloten vragen stellen of vooral zelf aan het woord zijn. Vaak werkt het beter om open vragen te stellen, nieuwsgierig te reageren, door te vragen en samen op onderzoek uit te gaan.

In plaats van meteen te vragen: “Weet je wat dit is?”, kun je bijvoorbeeld zeggen: “Wat denk jij dat hier gebeurt?”, “Hoe kwam je op dat idee?” of “Zullen we samen kijken?”

Ook stiltes zijn waardevol. Kinderen hebben vaak meer verwerkingstijd nodig dan volwassenen denken. Door even te wachten, geef je hen de ruimte om na te denken, hun ideeën te formuleren en zelf met vragen of antwoorden te komen. Zeker voor kinderen die wat stiller of voorzichtiger zijn, kan dat een groot verschil maken.

Een goed gesprek draait niet alleen om kennis overdragen, maar ook om samen ontdekken. Op deze manier draag je op een belangrijke manier bij aan het science capital van kinderen.

Taalgebruik: de expert-valkuil

Voor experts voelt vaktaal vaak vanzelfsprekend. Begrippen die je dagelijks gebruikt, lijken zo bekend dat je nauwelijks meer merkt dat ze voor anderen nieuw of ingewikkeld kunnen zijn. Juist daardoor ontstaat soms onbedoeld afstand tussen jou en je publiek.

Voor kinderen kan jargon ervoor zorgen dat ze afhaken of gaan twijfelen aan zichzelf. Ze kunnen denken: “Dit is niet voor mij.”, “Ik snap dit niet.” of zelfs “Misschien ben ik hier niet slim genoeg voor.”

Maar dit geldt niet alleen voor vakjargon. Ook woorden en zinnen die voor volwassenen vanzelfsprekend lijken, kunnen voor kinderen te abstract, te ingewikkeld of te lang zijn. Goede wetenschapscommunicatie vraagt daarom om taal die aansluit bij het ontwikkelingsniveau van je publiek. Gebruik concrete voorbeelden, korte zinnen en woorden die kinderen kennen. Wanneer je toch een nieuw begrip introduceert, leg dit dan direct uit aan de hand van een herkenbaar voorbeeld.

Dat geldt voor alle wetenschappelijke disciplines, van natuurkunde en techniek tot geschiedenis, taal of psychologie. Wetenschap toegankelijk maken gaat bovendien niet alleen over het vereenvoudigen van uitleg. Het gaat ook over verbinding maken: een gesprek voeren waarin kinderen zich welkom voelen om mee te denken, vragen te stellen en ideeën te delen.

Stap 7: Geef feedback

Zoals eerder besproken is verrassing een belangrijke motor voor leren. Daarbij is het essentieel dat er op de juiste manier feedback wordt gegeven. Goede feedback helpt om de ervaring van verrassing betekenis te geven. Effectieve feedback is STERK:

  • Specifiek: bespreek precies waar het om gaat in plaats van algemene uitspraken te doen.
  • Tijdig: geef feedback zo snel mogelijk na de handeling van het kind, zodat het nog vers in het geheugen ligt.
  • Eenvoudig: houd de feedback duidelijk en ondubbelzinnig.
  • Respectvol: zorg dat de feedback niet oordelend is. Richt je op de taak, niet op het kind.
  • Kan wat mee gedaan worden: zorg dat de feedback relevant is en dat het kind ermee verder kan.

Of het nu gaat om een proefje, een spel of een gesprek: door kinderen te laten voorspellen, ontdekken en direct feedback te geven, vergroot je de kans dat nieuwsgierigheid omslaat in blijvend leren.

Daarbij is het belangrijk dat fouten niet worden ervaren als iets negatiefs, maar als een natuurlijk onderdeel van leren. Wanneer kinderen iets voorspellen dat niet uitkomt, is dat geen mislukking maar juist een kans om hun denken bij te stellen. Door expliciet te benadrukken dat “verkeerd voorspellen” waardevol is, help je kinderen om vrijer te denken en minder bang te zijn om iets uit te proberen.

Wetenschap door de ogen van kinderen

Checklist voor je activiteit op het wetenschapsfestival

Loop deze checklist door terwijl je je activiteit ontwerpt (Deel 1) en houd hem bij de hand op de dag zelf (Deel 2).

  1. Vooraf: je activiteit ontwerpen

Stap 1  Ken je doelgroep

☐    Voor welke leeftijd ontwerp ik? Een kind van 6 beleeft een activiteit anders dan een tiener van 13.

☐    Welke voorkennis hebben deze kinderen al, en welke begrippen (energie, kracht, evolutie…) kunnen voor hen iets heel anders betekenen?

☐    Sluit ik aan bij hún belevingswereld, in plaats van bij die van een volwassene?

Stap 2  Bepaal je doel

☐    Wat wil ik bereiken? (positieve beleving, nieuwsgierigheid, bewustwording, kennis en vaardigheden, inzicht verdiepen, attitudevorming, science capital)

☐    Vertrek ik vanuit dat doel, en dus niet vanuit een leuk proefje dat ik toevallig heb?

Stap 3  Bepaal de rol van het kind

☐    Benader ik het kind als onderzoeker (zelf ontdekken) en/ of als leerling (kennis overdragen)? Een combinatie van beide werkt vaak heel goed!

☐    Past die rol bij mijn doel?

Stap 4  Bedenk een prikkelende activiteit

☐    Aandacht: Zorg ik dat mijn activiteit de aandacht trekt en vasthoudt? Waar wil ik dat kinderen naar kijken, over nadenken of onthouden? Zijn er nog afleidende zaken die niet bijdragen aan het doel van de activiteit?

☐    Betrokkenheid: Maak ik de activiteit interessant voor kinderen door aan te sluiten bij hun behoefte om zich competent te voelen, autonomie te ervaren, en verbondenheid te voelen?

☐   Nieuwsgierigheid en verrassing: Is er een mogelijkheid om vragen te stellen of kinderen voorspellingen te laten maken? Zit er een verrassingsmoment in: iets dat nét afwijkt van wat kinderen verwachten?

  1. Op de dag zelf: deelnemers boeien en betrekken

Stap 5  Observeer en luister

☐    Heb ik oog voor stille of afwachtende kinderen? Stil betekent niet ongeïnteresseerd.

☐    Geef ik kinderen die verwerkingstijd nodig hebben de ruimte?

☐    Heb ik oog voor de rol van ouders en verzorgers?

Stap 6  Ga in gesprek

☐    Stel ik open vragen in plaats van te overhoren? (“Wat denk jij dat hier gebeurt?”)

☐    Laat ik stiltes vallen zodat kinderen kunnen nadenken?

☐    Ga ik samen op onderzoek, in plaats van vooral zelf aan het woord te zijn?

☐   Expert-valkuil: vermijd ik jargon dat kinderen laat afhaken of aan zichzelf laat twijfelen?

☐   Science capital: geef ik kinderen het gevoel dat wetenschap ook iets voor hén is?

Stap 7  Geef feedback

☐    Laat ik kinderen eerst voorspellen en bespreek ik daarna samen de uitkomst?

☐    Is mijn feedback STERK: Specifiek, Tijdig, Eenvoudig, Respectvol, Kan er iets mee?